Dertiende ledendag (2014)

Programma

11.00 uur Plechtige Latijnse Mis volgens het missaal van Paulus VI, m.m.v. Chorale Sancti Jacobi o.l.v. Dirk Baeten & Peter Strauven, organist. Kanunnik Joris Polfliet, Secretaris Generaal van de Interdiocesane Commissie voor Liturgische Zielzorg (I.C.L.Z.), is celebrant en houdt de homilie.
12.15 uur Receptie
12.30 uur Broodmaaltijd (inschrijving nodig)
14.30 uur Studienamiddag: De eucharistiche aanbidding gisteren, vandaag en morgen.
  • Gisteren: historisch overzicht, door K. Priem pr., grootseminarie van Brugge
  • Vandaag: dogmatische en liturgische beschouwingen, door P. François, pr., dr.theol.
  • Morgen: de geest van aanbidding doorgeven aan kinderen, door F. Hacour, pr., interdiocesane Johannes XXIII-seminarie van Leuven
16.00 uur Pauze
16.30 uur Latijnse vespers & Lof

Foto's

Conferenties

1. De eucharistische aanbidding gisteren: historisch overzicht,

door K. Priem pr., grootseminarie van Brugge

Integrale tekst

Het geloof in de reële tegenwoordigheid van Christus in de eucharistie is zo oud als de Kerk zelf, maar de uitingen daarvan zijn wel sterker geworden in de loop der tijden. Lange tijd werd de mis luidop opgedragen, maar in 416 vroeg paus Innocentius I dat de HH. Mysteriën zouden voltrokken worden in stilte, om hun gewijde karakter te benadrukken. Van hun kant vonden de HH. Cyrillus van Jeruzalem (375-444) en Johannes Chrysostomus (ca. 345-407) dat het ogenblik van de consecratie tot een eerbiedige vrees moest aanzetten. In die periode ontstond in de oosterse kerken de iconostase tussen altaar en volk. In de 6de-7de eeuw doken er in Rome gordijnen op om de zijden van het ciborium boven het altaar te sluiten. Ondanks deze toenemende uitingen van respect bleven de priesters nog altijd rechtstaan vanaf de canon tot het Onzevader, en er bestond nog geen publieke eucharistische devotie buiten de mis.

In de 9de eeuw leidden de discussies tussen Amalarius van Metz (ca. 775-ca. 850) en Agobard van Lyon (769-840) over de reële tegenwoordigheid van Christus in de eucharistie tot het feest van het Lichaam van Christus, dat nadien bekend werd als Sacramentsdag. Dit laatste feest, op de tweede donderdag na Pinksteren, werd ingesteld te Luik in 1246 (H. Juliana van Cornillon) en verspreidde zich stilaan over de Lage Landen en Duitsland. Het moest dienen om het dogma van de transsubstantiatie of realis presentia, d.i. de reële tegenwoordigheid van Christus in het H. Sacrament, dat vastgelegd was op het 4de concilie van Lateranen (1215) bij het gelovige volk in te prenten. We zien hier een belangrijke evolutie in de middeleeuwse vroomheid, gaande van de heiligen- en reliekenverering naar de verering van het Lichaam van Christus in de eucharistie. De gelovigen werden aangespoord om door de H. Communie of door het aanschouwen en aanbidden van de geconsacreerde hostie — de zogeheten ‘ogencommunie’ (communio ocularis) — deel te hebben aan het verlossende lijden van Christus. De theologen en clerus verwelkomden deze ontwikkeling, omdat de verering van het H. Sacrament minder aanleiding gaf tot privé-devotie of magische praktijken dan de volkse reliekenverering. Daarmee verbonden is het opduiken van processies, waarbij de hostie in een ostensorium (een omgebouwd reliekschrijn) geplaatst werd. Vòòr 1264, de instelling van het feest van Sacramentsdag door paus Urbanus IV, kent men slechts één geval waarbij de hostie zo gedragen werd, nl. tijdens een Palmprocessie in 1080, toen aartsbisschop Lanfranc van Canterbury (+1089) de hostie liet meedragen i.p.v. het evangelieboek. Het duurde trouwens nog enkele jaren nà 1264 vooraleer H. Sacramentsprocessies gehouden werden.

In dezelfde periode ontstond de gewoonte om de hostie ten toon te stellen in een monstrans. Het verlangen om de hostie te zien bespeuren we al in de 12de eeuw. Eudes van Sully, bisschop van Parijs (1196-1208), gelastte zijn priesters om de hostie op te heffen na de consecratiewoorden, opdat ze door iedereen gezien zou kunnen worden” (d.i. de oorsprong van de elevatie in de mis)1. Ook de confrerieën van het H. Sacrament werden talrijker vanaf de tweede helft van de 13de eeuw. De eerste H. Sacramentsprocessie lijkt gehouden te zijn in Keulen (1279) en er volgden er in Worms (1315) en Aken (1319). Pas in 1318 maakte paus Johannes XXII ze verplichtend op straten en openbare pleinen. Na enige aarzeling werden de H. Sacramentsprocessies steeds plechtiger. Ze werden geregeld onderbroken door staties, waarbij er een antifoon gezongen werd (d.i. de eerste aanzet van wat nadien bekend werd als de uitstelling van het Allerheiligste of het Lof). De zegen met het Allerheiligste wordt voor het eerst vermeld in Hildesheim rond 1301, maar was in de 14de eeuw buiten Duitsland nog niet gebruikelijk. Kardinaal Nicolaus van Cusa (1401-1464) vreesde in 1451 dat het te frequente uitstellen van het Allerheiligste de eerbied ervoor zou aantasten. De toekenning van aflaten verhoogde weliswaar de populariteit van deze devotie, maar werkte ook de kritiek in de hand. De cultus van het H. Sacrament nam de kenmerken over van de reliekenverering, vooral in het geval van eucharistische wonderen, en er was zelfs sprake van magische praktijken2. Eucharistische wonderen (vooral bloedende hosties of sporen van bloed op het corporale), die al vanaf het begin van de 13de eeuw op vele plaatsen in Europa voorkwamen, golden als bewijzen van de realis presentia-leer. Geconsacreerde hosties veruitwendigden hun kracht door de gedaante van vlees of de gestalte van een kind aan te nemen, of doordat ze onaantastbaar bleken voor vuur en water of bloedden bij profanatie3. Onder impuls van Cusanus verboden de synode van Keulen (1452) en nog andere synoden zelfs om het H. Sacrament op andere dagen dan Sacramentsdag rond te dragen.

Het uitstellen van het H. Sacrament was traditioneel verbonden met het 40-urengebed (de periode tussen de graflegging en de verrijzenis van Jezus). In deze vorm zou het ontstaan kunnen zijn bij de H. Gertrudis van Helfta (1256-1302), maar een 40-urige gebedsvasten wordt al vermeld door Eusebius van Caeserea eind 2de eeuw4. In de polemiek met de protestantse avondmaalsleer werd dit gebruik in de 16de eeuw uitgebreid. In de vasten van 1527 werd voor het eerst een 40-urige gebedswake gehouden vòòr het tabernakel in de kerk van S. Sepolcro in Milaan. Vanaf 1537 werd de hostie daarbij uitgesteld in een monstrans, eerst in de Dom van Milaan en daarna in de andere stadskerken. Deze devotie werd door de door de H. Antonius Maria Zaccaria (1502-1539) gestichte barnabietenorde verspreid in geheel Italië. Met de HH. Ignatius van Loyola (1491-1556) en Filippus Neri (1515-1595) werd ze tot een vorm van eerherstel voor de godslasteringen door de protestanten, en de H. Carolus Borromeo (1538-1584) voerde haar in te Milaan om de excessen van het carnaval tegen te gaan. Waarschijnlijk moeten we in dit 40-urengebed de oorsprong zien van de andere vormen van aanbidding. Paus Gregorius VIII voerde deze devotie — voortaan definitief losgemaakt van de Goede Week — in 1592 in alle Romeinse kerken en vormde ze om in eeuwige aanbidding (bulle Graves et diuturnae).

De H. Sacramentsbroederschappen, naar het voorbeeld van deze in de kerk S. Maria sopra Minerva in Rome (1530), namen sterk toe na de bul Dominus noster Jesus Christus van paus Paulus III (1539). In de 17de eeuw bloeiden ze sterk5, maar in de 18de eeuw taanden ze en met de Franse Revolutie verdwenen ze, net als de religieuze instituten die in de 17de eeuw waren opgericht voor de aanbidding. Rond 1830 hernamen de broederschappen — één der eerste werd heropgericht door de H. Pastoor van Ars. In 1810 werd ook de nachtelijke aanbidding in Rome ingevoerd en overgenomen in Parijs in 1844, eerst nog door gelovigen thuis, vanaf 1848 in de kerk. In 1852 werd het 40-urengebed uitgebreid met nachtwaken, in 44 heiligdommen, waarvan 25 parochiekerken. Tenslotte ontstond de eeuwigdurende aanbidding, waarin elke parochie of kapel om beurt een biddag houdt, soms ook ’s nachts. Vanaf 1876 werd in Montmartre het H. Sacrament elke vrijdag uitgesteld, vanaf 1881 drie dagen per week en vanaf 1885 wordt de aanbidding er dag en nacht voortgezet. In 1856 richtte de H. Pierre Julien Eymard (1811-1868) de congregatie van de paters van het H. Sacrament op, en in 1858 stichtte hij de dienaressen van het H. Sacrament en het werk van de Prêtres adorateurs, die elke week één uur aanbidding houden. Er werden ook verenigingen opgericht voor eerherstellende aanbidding, de mis tot eerherstel, eerherstellende communie, enz.

Tenslotte kunnen we nog de eucharistische congressen vermelden (vanaf 1873), en de eucharistische kruistocht, om de kinderen aan te zetten tot een vroege, fervente en frequente communie, conform de decreten Sacra Tridentina Synodus (1905) en Quam singulari (1910) van paus Pius X. In België ging het initiatief tot het stichten van een eucharistische kruistocht uit van de abdij van Averbode (1920). Eerst dacht men aan een overkoepelende communiebond, maar onder impuls van de Z. Edward Poppe werden overal kerngroepen gevormd van diep overtuigd christelijk en eucharistisch leven. De zusters van Vorselaar verwerkten de eucharistische methode van de norbertijnerpater Vanmaele en priester Poppe in hun catechetische handboeken. Er werden afdelingen opgericht voor kinderen, scholieren, studenten, normalisten, volwassenen, onderwijzers, arbeiders en zieken. Dankzij de tussenkomst van kardinaal Mercier en de Gentse bisschop Seghers bleef de eucharistische kruistocht zelfstandig t.o.v. het door de jezuïeten gepatroneerde Apostolaat des Gebeds. In feite kwam het erop neer dat Franstalig België aan de jezuïeten overgelaten werd, terwijl de abdij van Averbode met haar uitgaven van de Goede Pers vooral in Vlaanderen actief was.

Vooral in Duitsland ontstond de gewoonte om de mis te celebreren, terwijl in dezelfde ruimte ook het H. Sacrament werd uitgesteld, maar dit werd in 1967 verboden (Instructio de cultu mysterii eucharistici, Rome, 1967; CIC c.941, §2). Hoewel Vaticanum II de deelname aan de eucharistie als bron en hoogtepunt beschouwt van alle liturgie, blijft de uitstelling van het Allerheiligste waardevol in zover ze het bewustzijn verdiept van de nabijheid van Christus in het H. Sacrament, uitnodigt om deel te hebben aan zijn heilswerk en het verlangen wekt tot de H. Communie. Terwijl ook acolieten en gebedsleiders het H. Sacrament mogen uitstellen, blijft de slotzegen met het Allerheiligste voorbehouden aan priesters en diakens (CIC c.941 ss).

K. Priem, pr.

Bronnen:

R. Boudens, De Kerk in Vlaanderen. Momentopnamen, Averbode, 1994, p. 285-286.

E. Dumoutet, Le désir de voir l’hostie et les origines de la dévotion au Saint-Sacrament, Parijs, 1926.

A. Heinze, art. Aussetzung, in: “Lexikon für Theologie und Kirche”, dl.I, Herder, 1993, k.1271-1272.

A. Molien, art. Adoration du Très Saint Sacrement, in: “Catholicisme. Hier — Aujourd’hui — Demain”, dl.I, Parijs, 1948, k.159-163.

K. Gallus Sander, art. Ewige Anbetung, in: “Lexikon für Theologie und Kirche”, dl.V, Herder, 1995, k.1074-1075.

H. W[egman], art. Uitstelling/Lof, in: “Liturgisch Woordenboek”, Roermond, 1965-1968, dl.II, k.2738-2740.

Noten:

1. De diocesane statuten van Eudes de Sully beïnvloedden sterk de statuten die tussen 1238 en 1248 uitgevaardigd zijn in Kamerijk door bisschop Guiard de Laon èn de decreten van het 4de Lateraans concilie (Ch.M.A. Caspers, Synodale statuten en het kerkelijk en godsdienstig leven in de Nederlanden tijdens de Late Middeleeuwen — ‘Trajecta. Tijdschrift voor de geschiedenis van het katholiek leven in de Nederlanden’, 4 (1995), p.284-285, 288). Over de canon “ita quod possit [ab omnibus] videri, cfr. E. Dumoutet, Le désir de voir l’hostie et les origines de la dévotion au Saint-Sacrament, Parijs, 1926, p.37-53.

2. Zo werd er gezegd dat men niet verouderde tijdens de mis of dat een geldbeugel die in het altaar verstopt was zou aangroeien en gebeurde er magie met geconsacreerde hosties of bezweringen op perkament “sonder priesters weet daer over mis geseyt” (cfr. E. Dumoutet, o.c., p.30-31; R. Witdouck, De boete van de Moense priester du Castel — ‘Biekorf’, 106 (2006), p.168; idem, Laatmiddeleeuwse vroomheid en (West-)Vlaamse biechtpraktijk — ‘De Leiegouw’, 48 (2006), p.105-110).

3. Deze ‘bloedwonderen’ werden verschillend theologisch beoordeeld: de franciscanen aanvaardden dat Christus lichamelijk aanwezig was in de miraculeuze bloedsporen, maar volgens de dominicanen waren deze niet het eigenlijke Lichaam of Bloed van Christus (cfr. L. Dequeker, Het Sacrament van Mirakel. Jodenhaat in de Middeleeuwen, Leuven, 2000, p. 26-28).

4. Volgens Eusebius (Historia ecclesiastica, 5.25) heeft Ireneüs van Lyon in een brief paus Victor I herinnerd aan de tolerante houding van zijn voorgangers, die ondanks hun meningsverschil over de paasdatum de gewoonte hadden ‘de eucharistie te zenden’ naar de kerken die vasthielden aan de joodse paasdatum (14 Nisan). E. Duffy, Heiligen & zondaars. Een geschiedenis van de pausen, Baarn-Tielt, 1998, p.11-12, wijst erop dat stukjes eucharistisch brood die per schip naar Klein-Azië werden gestuurd bij hun aankomst niet langer eetbaar waren.

5. E. Dumoutet, o.c., p.91, noemt de 17de eeuw “le siècle de l’exposition fréquente”.

2. De eucharistische aanbidding vandaag: dogmatische en liturgische beschouwingen,

door P. François, pr., dr.theol.

Samenvatting

Na een periode van afname van de eucharistische devotie buiten de Mis onmiddellijk na het Tweede Vaticaanse Concilie constateren we nu een toename onder de vorm van stille aanbidding niet overal, maar wel in bepaalde dynamische parochies of kerken, bij charismatici (de Gemeenschap Emmanuel e.a.), in Taizé, in de de Wereld Jongerendagen, bij de Europascouts, enz.

Bepaalde historische eucharistische processies zijn opnieuw uitgetrokken: onder het pontificaat van de H. Johannes Paulus II in de straten van Rome (tussen Santa Maria Maggiore en San Giovanni in Laterano i.p.v. binnen het Vaticaan), in Amsterdam in 2004 voor het eerst sinds de alteratie in 1578, in de Sint-Jacobparochie op Drievuldigheidszondag enkele jaren later, en dat zijn maar enkele voorbeelden.

Om de huidige liturgische voorschriften te kennen, evenals een dogmatische achtergrond te geven over de eucharistische aanbidding buiten de Mis, moet er doorverwezen worden naar de Orde van Dienst voor de Communie en de verering van de Eucharistie, Interdiocesane Commissie voor Liturgische Zielzorg (I.C.L.Z.), Licap, Brussel 1979. De latijnse naam van dit document luidt: De Sacra Communione et de Cultu Mysterii Eucharistici extra Missam.

Andere bronnen geven meer achtergrond:

  • de documenten van het Tweede Vaticaanse Concilie, vooral de Constitutie over de Liturgie Sacrosanctum Concilium
  • De Catechismus van de Katholieke Kerk (1992).

Hieruit kunnen we de volgende hoofdlijnen halen:

  • De viering van de H. Eucharistie staat centraal in het leven van de christen.
  • Het is zinvol de eucharistie te bewaren buiten de Mis:
    • voor de communie als viaticum,
    • voor de ziekencommunie en de communie aan andere gelovigen,
    • voor de aanbidding; het Tweede Vaticaanse Concilie onderstreept dat de eucharistische aanwezigheid een unieke aanwezigheid van Christus is, die zijn aanwezigheid in de vergadering van de gelovigen, in het woord van de Schrift dat voorgelezen wordt in de kerk, in de persoon van de voorganger van verre overtreft.
  • De aanwezigheid van Christus, God en mens, is een werkelijke tegenwoordigheid onder de gedaanten van brood en wijn, na de consecratie waarin de transsubstantiatie plaats vindt, tijdens het instellingsverhaal.
  • Elke overdrijving, in welke richting ook, is te betreuren: aanbidding los van de Mis (afwijkende traditionele volksdevoties), Mis los van de aanbidding (modernistische en eenzijdige interpretaties van het Tweede Vaticaanse Concilie).

Uit de voorgenoemde Orde van Dienst kunnen we ook een aantal liturgische beginsels halen:

  • De Orde van Dienst voorziet het uitreiken van de communie (buiten de Mis) met een langere woorddienst. Dit vervangt de Mis niet. Opgelet met misbruiken.
  • Vervolgens is het uitreiken van de communie (buiten de Mis) met een korte woorddienst voorzien. Dit is zinvol voor mensen die zonder schuld de Mis niet kunnen bijwonen en toch de (bv. dagelijkse) eucharistie wensen te ontvangen.
  • Verder wordt de ziekencommunie en het viaticum beschreven. De communie is aangeraden bij de ziekenzalving van mensen die dikwijls de communie ontvangen, of die ernaar verlangen.
  • Tenslotte wordt het uitstellen van de H. Eucharistie beschreven in de Orde van Dienst:
    • in de ciborie of de monstrans
    • er mag geen eucharistie gevierd worden in dezelfde kerk wanneer het Allerheiligste uitgesteld wordt (dit toont de band aan tussen eucharistie en aanbidding)
    • met monstrans: 4 of 6 kaarsen en altijd wierook
    • met ciborie: 2 kaarsen en eventueel wierook
    • de priesters en bedienaren knielen op één knie
    • voor de gelovigen wordt er niets gezegd; men kan aannemen dat de traditionele gewoonte van op twee knieën te knielen voor het uitgestelde Allerheiligste kan bewaard worden, maar dat lijkt ook niet verplicht
    • de uitstelling kan kort of lang zijn
    • ze kan ’s middags en ’s nachts onderbroken worden, indien er niet voldoende gelovigen aanwezig zijn om ononderbroken aanwezig te zijn
    • de onderbreking kan eenvoudig zijn: de bedienaar, na een tijdje aanbidding plaatst het Allerheiligste terug in het tabernakel
    • de bedienaar draagt “boven zijn toog, een albe of superplie met een witte stool” (sic). De gewone bedienaar is de priester of de diaken. Een buitengewone bedienaar kan de zegen niet geven.
    • tijdens de uitstelling
      • lezingen uit de H. Schrift, eventueel homilie
      • gezang als antwoord op het Woord van God
      • stilzwijgen
      • tijdens de langdurige aanbidding, voornaamste getijden
    • voor de zegen op het einde:
      • met koorkap en schoudervelum indien een monstrans gebruikt wordt,
      • enkel met schoudervelum indien de uitstelling in een ciborie gebeurt.
      • de priester doet een kniebuiging en knielt neer
      • een hymne wordt gezongen (Tantum ergo, of iets anders)
      • bewieroking, indien monstrans
      • de priester staat recht en zegt of zingt “Oremus” of “Laat ons bidden” gevolgd door een korte stilte en een gebed (er bestaat meer dan een half dozijn forumulieren voor dit gebed, waarvan één vooral voor de Paastijd)
      • de priester knielt en ontvangt het schoudervelum, maakt een kniebuiging, neemt de ciborie of de monstrans, en maakt daarmee stilzwijgend een kruis over het volk
    • na de zegen plaatst hij het Allerheiligste terug in het tabernakel, maakt een kniebuiging, en keert terug terwijl het volk eventueel een acclamatie zingt
  • De Orde van Dienst beschrijft nog de Sacramentsprocessies, voorzien vooral op Sacramentsdag...
  • ... en de eucharistische congressen.

3. De eucharistische aanbidding morgen: de geest van aanbidding doorgeven aan kinderen

door F. Hacour, pr., interdiocesane Johannes XXIII-seminarie van Leuven

Samenvatting

In tegenstelling tot wat de meeste volwassenen denken, is het mogelijk om met kinderen aanbidding te houden. Op de weg van de geloofsgroei is het noodzakelijk dat er een vriendschap met Jezus groeit. Iedereen weet dat het tijd vergt om intiem bevriend te worden met iemand. Kansen tot persoonlijke en zelfs intieme ontmoetingen met Jezus gebeuren tijdens de aanbidding.

In de grafkapel van de zalige priester Edward Poppe wordt er sinds een tijdje met regelmaat een aanbiddingsmoment voor kinderen georganiseerd. De aanbidding is deel van een langer samenzijn, maar is er de wel de kern van. Eerst oefenen de kinderen enkele liederen. Hierna volgt een inleidende catechese bij het Mariabeeld waar een tientje gebeden wordt. Van bij Maria gaan de kinderen, ieder met een kaarsje, naar Jezus in het tabernakel. Zij bidden en zingen tijdens deze korte tocht. Aan het tabernakel wordt geknield terwijl de priester het Allerheiligste Sacrament in de monstrans plaatst en bewierookt. In processie gaat het dan naar de aanbiddingskapel. Hier volgt een aanbiddingsmoment waarbij de kinderen op kussens zitten en één keer uitgenodigd worden om op de knieën te buigen voor Jezus die zich zo klein gemaakt heeft in de heilige Hostie. Ook de kinderen maken zich als teken van dankbaarheid voor Jezus klein... De kinderen worden vervolgens uitgenodigd tot het uitspreken van hun intenties — luidop of stil in hun hart. Er volgen dankgebeden en ook een vraag naar ontferming klinkt. Kleine stiltes worden opgevolgd met repetitieve liedjes die de kinderen gemakkelijk kunnen onthouden en meezingen. Het Onze Vader bidden de kinderen rechtstaand rond het altaar. Indrukwekkend is de zegen die de priester maakt met het Allerheiligste. Elk kind wordt hierbij afzonderlijk gezegend. De processie keert weer naar de kapel en het tabernakel waar geëindigd wordt met een jubellied.