Twaalfde Ledendag (2013)

Programma

Datum: 28 september 2013

Plaats: Collegiale kerk Sint-Jacob-de-Meerdere, Lange Nieuwstraat 73, 2000 Antwerpen

11.00 uur Pontificale Latijnse Mis volgens het missaal van Paulus VI. Hoofdcelebrant Z. Em. Kardinaal Wim Eijk, (Aartsbisschop van Utrecht, NL) m.m.v. Chorale Sancti Jacobi o.l.v. Dirk Baeten & Peter Strauven, organist
12.30 uur Broodmaaltijd
14.30 uur Lezing van Kardinaal Wim Eijk over het thema: 'Wat stond Benedictus XVI voor ogen met het Jaar van het Geloof?'
16.00 uur Pauze
16.15 uur Latijnse vespers & Lof

Foto's

Homilie

Homilie gehouden door Willem Jacobus Kardinaal Eijk, te Antwerpen, in de Sint-Jacobskerk, naar aanleiding van de 12e ledendag van de VWHLL. Het misformulier was dat van de gedachtenis van de H. Wenceslaus, en de lezingen die van de zaterdag van de 25e Week door het Jaar.

Wenceslaus, een hertog van Bohemen in de 10e eeuw, is in Vlaanderen en Nederland wellicht geen zeer bekende heilige, maar heeft wel degelijk ook voor ons een actuele boodschap. Hij werd geboren rond het jaar 905. Zijn grootmoeder H. Ludmilla gaf hem een christelijke opvoeding. Omdat vader stierf toen Wenceslaus nog een kind was, kwam eerst zijn heidense en fel antichristelijke moeder Drahomíra, als regentes aan het bewind. De bevolking van Bohemen smeekte Wenceslaus toen hij de volwassen leeftijd had bereikt, om aan te treden als hertog en zijn verantwoordelijkheid te nemen. Dit deed hij in 925. Hij plaatste het hertogdom onder de protectie van Duitse Rijk en voerde in plaats van de Byzantijnse ritus de Latijnse liturgie in.

Wenceslaus was een oprecht en diep gelovig man met een groot geloof in het sacrament van de Eucharistie. Hierin vindt het verhaal zijn oorsprong dat hij er zelf brood voor zaaide en druiven uitperste. Tevens was hij vermaard vanwege zijn zorg voor armen. Hij trok er ’s nachts blootsvoets op uit, bad in kerken en bezocht armen en zieken. Als hertog betoonde hij zich een vader voor de misdeelden. Wenceslaus is een voorbeeld voor iedereen die belast is met het openbaar bestuur of actief is in de politiek.

“Wie goed doet, goed ontmoet” is een spreekwoord dat in de praktijk maar al te vaak ontzenuwd wordt. Wenceslaus viel vanwege zijn goede reputatie de jaloezie de tegenstand van zijn moeder en zijn broer Boleslaus ten deel. Op instigatie van zijn moeder werd hij door zijn broer op 28 september 935 op brute wijze vermoord, toen hij ‘s morgens in een kerk aan het bidden was. Zo stierf hij als martelaar voor zijn trouw aan Christus.

Een aandoenlijke middeleeuwse legende brengt de goedheid van Wenceslaus tot uitdrukking in de vorm van een kerstverhaal. Op het feest van H. Stefanus, dus op Tweede Kerstdag, bezoekt Wenceslaus een arme boer, die in zeer afgelegen plaats woont, om hem aalmoezen te geven. Het is een ijzige koude dag. Zijn bediende die hartproblemen heeft, bezwijkt bijna en geeft aan dat hij niet verder kan. Wenceslaus wijst op zijn voetstappen in de sneeuw: “Zet daarop je voeten.” Dat doet de bediende en merkt dat daar warmte uit opstijgt. Zo kan hij de tocht volhouden. De boodschap van deze legende is dat wie voor de armen zorg heeft, door God wordt gezegend

In het midden van negentiende eeuw werd op basis van deze legende een bekende carol, een Engels kerstlied, gedicht: “Good King Wenceslaus.” De literaire kritiek op deze carol is lang niet mals. Tevens behelsde de kritiek dat deze legende of dit lied niets met kerstmis heeft te maken. Dit is echter misvatting van mensen die het christelijk geloof niet van binnenuit kennen.

Wenceslaus gaf uit liefde vrijwillig een groot deel van zijn rijkdommen weg en leefde zelf arm om anderen te kunnen verschaffen wat zij nodig hadden. Uiteindelijk gaf hij bij zijn marteldood zijn grootste rijkdom, zijn leven, voor het Evangelie. Dit is Jezus navolgen, namelijk doen wat Hij deed. Paulus zegt:

“Want de liefdesdaad van onze Heer Jezus Christus hoef ik u niet in herinnering te brengen: hoe Hij om uwentwil arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat gij rijk zoudt worden door zijn armoede” (2 Kor. 8,9).

Door van zijn hemelse rijkdom afstand te doen, mens te worden en onze menselijke condities te gaan delen maakte Jezus zichzelf arm. Zo gek is het dus nog niet om de legende van Wenceslaus als kerstverhaal of kerstlied te presenteren.

Eenmaal mens geworden ging Jezus tot de armsten der armen behoren — ook vrijwillig — door trouw te zijn aan de zending van Zijn Vader tot in de dood: “De mensenzoon zal worden overgeleverd in de handen der mensen,” zo horen we in het Evangelie van deze dag (Luk. 9,44). Armsten zijn niet per se mensen zonder financiële middelen, maar vooral lijdende mensen die hulpeloos zijn en vernederd. Jezus zal ook in een toestand van hulpeloosheid en diepe vernedering terechtkomen door wat Hem door mensen wordt aangedaan. Eveneens maakt Jezus zich arm in de Eucharistie ten behoeve van ons: Hij komt onder ons onder de gedaante van een nietig stukje brood en een klein beetje wijn. Hij maakt zich arm om ons rijk te maken bij God. En of wij nu over ruime financiële middelen beschikken of niet, wij zijn allen arm doordat we van God zijn losgeraakt en Hem zijn verloren. Door Jezus vrijwillige armoede valt ons de rijkdom ten deel dat we weer bij God worden teruggebracht.

Wenceslaus had grote liefde voor de Eucharistie, door het Tweede Vaticaans Concilie de bron en het hoogtepunt van het christelijk leven genoemd. De diepste zin van de Eucharistie is dat wij door Hem te ontvangen in Hem worden omgevormd. We gaan daardoor niet alleen gaan delen in Zijn Verrijzenis, wat we allemaal graag willen. We gaan ook delen in Zijn lijden en dood, dat wil zeggen de consequenties ervaren die de navolging van Hem met zich meebrengt. Hierover zijn we meestal minder enthousiast. De martelaar Wenceslaus blijft in zijn bewuste en frequente deelname aan de Eucharistie en de wijze waarop hij door dit sacrament gestalte liet geven aan zijn leven, een zeer actueel voorbeeld voor alle generaties christenen. Amen.

Lezing: Wat stond Benedictus XVI voor ogen met het Jaar van het Geloof?

Volledige tekst van de lezing

Het onderwerp van deze lezing betreft in hoofdzaak het Jaar van het Geloof, dat is geopend door paus Benedictus XVI op 12 oktober 2012 en zal worden afgesloten door paus Franciscus op het Hoogfeest van Christus Koning van het Heelal op 24 november 2013. In zijn motu proprio Porta Fidei (PF) 1 noemt paus Benedictus XVI enkele directe aanleidingen voor het uitroepen van dit bijzondere jaar: het vijftigjarig jubileum van de opening van het Tweede Vaticaans Concilie op 12 oktober 2012 en het twintigjarig jubileum van de publicatie van de Catechismus van de Katholieke Kerk. Dit zijn zonder meer twee gedenkwaardige mijlpalen. In deze lezing wil ik echter vooral de aanleiding in bredere zin aan de orde stellen voor de keuze van het thema van het geloof voor dit jaar. Deze meer fundamentele aanleiding is gelegen in de algemene Europese ontwikkelingen en in het bijzonder die in Nederland in de jaren na de Tweede Wereldoorlog.

Het uiteenlopen van de weg van de Kerk en die van de Westerse cultuur

Hoewel de jaren van het Concilie werden getekend door grootse verwachtingen met betrekking tot de vernieuwing die er de vrucht van zou zijn, gaven de jaren die direct erop volgden, het beeld van een Kerk in ernstige crisis. Velen waren teleurgesteld, omdat zij van het Concilie verkeerde verwachtingen hadden gekoesterd. Een fenomeen in de naoorlogse jaren met grote gevolgen betrof het feit dat de weg van de Kerk en die van de cultuur in het algemeen — aanvankelijk vooral in West-Europa — zeer snel en radicaal uiteen gingen lopen.

De oorzaak was dat parallel aan de snelle toename van de welvaart een seculiere en individualistische cultuur ontstond. Het gaat hierbij om een seculiere cultuur zonder enige verwijzing naar transcendentie, die het dagelijks leven doordringt en waarin men volgens Benedictus XVI waarneemt

“een mentaliteit waarin God feitelijk afwezig is, geheel of gedeeltelijk, in het bestaan en in het menselijk bewustzijn.” 2

Deze cultuur houdt niet stil bij de deur van de Kerk, maar dringt diep in haar door, ondermijnt zo het christelijk geloof van binnenuit en heeft een aanzienlijke invloed op het gedrag van de gelovigen:

“Zij leven in de wereld en zijn dikwijls getekend, zo niet geconditioneerd, door de beeldcultuur die tegenstrijdige modellen en tendensen oplegt, in de praktische ontkenning van God: er is geen behoefte meer aan God, om aan Hem te denken en naar Hem terug te keren. Bovendien bevordert de dominante hedonistische en consumptieve cultuur zowel bij gelovigen als bij pastores een neiging tot oppervlakkigheid en egocentrisme die schade toebrengt aan het kerkelijk leven.” 3

Men kan vele oorzakelijke factoren aanwijzen voor het ontstaan van deze seculiere cultuur, maar een van de belangrijkste is de opkomst van het expressief individualisme en de cultuur van de authenticiteit 4 vanaf het begin van de jaren zestig vooral onder jongeren. Wat in de romantiek van de 19de eeuw was voorbehouden aan een enkeling met voldoende financiële middelen en ruime toegang tot de literatuur van dat moment werd een massafenomeen als gevolg van de snelle toename van de welvaart en de opkomst van wat in het Engels de ‘information society’ wordt genoemd. Het expressief individualisme houdt in dat het individu zichzelf in het centrum van alles plaatst en de omgeving ziet als een podium waarop het de eigen — daadwerkelijke of veronderstelde — authenticiteit ten toon spreidt. De anderen worden beschouwd als toeschouwers en de samenleving functioneert vooral als een belangengemeenschap, noodzakelijk omdat bepaalde belangen alleen zijn te realiseren samen met anderen. Elk individu moet zich van andere onderscheiden door zijn uiterlijk, zijn overtuigingen en eigen morele waarden. Het individu voelt zich verplicht om authentiek te zijn, in die zin dat het een eigen levensproject moet ontwerpen, inclusief een eigen ideologie of religie, een eigen mensvisie en de keuze van eigen waarden en normen. Overigens, dat mensen zich daarbij, terwijl zij denken origineel te zijn, feitelijk laten leiden door de massamedia, de reclamewereld en de commercie, ontgaat de meesten. Wat telt is dat de persoon zich een autonoom en authentiek individu voelt. Omdat elk individu het recht heeft en zelfs de plicht om een eigen visie en eigen waarden te ontwerpen, ziet men het bekritiseren ervan als ongepast.

“De niet getolereerde zonde is de intolerantie,”

Zo observeert Taylor. 5 Binnen dit kader heeft het individu door zichzelf als referentiepunt te nemen geen behoefte meer aan een transcendent wezen, een wezen dat het overstijgt, God of een gemeenschap, zoals de Kerk en ook de samenleving.

Tevens is er niet veel ruimte voor gemeenschappelijk gedeelde overtuigingen. De postmoderne cultuur laat daarom de vraag onbeantwoord wat waar is. Het gevolg hiervan is onverschilligheid op religieus, ideologisch of politiek vlak. Het expressief individualisme en de cultuur van de authenticiteit zijn het belangrijkste fundament voor wat Taylor noemt het “morbide relativisme” 6 en het “ongebreideld pluralisme” 7 van de huidige Westerse cultuur.

Het is geen kleinigheid om in zo’n cultuur het christelijk geloof door te geven. Zonder overdrijving durf ik te stellen dat men deze cultuur in extreme mate aantreft in ons land, Nederland, na het voormalige Oost-Duitsland het meest geseculariseerde land in Europa. Tussen 1966 en 2006 zakte het percentage katholieken in Nederland van 35 tot 16% en dat van de protestanten van 25 tot 14%. 8 En de ontwikkelingen blijven daarbij niet staan: statistici verwachten dat in 2020 slechts 10% percent van bevolking nog katholiek is en 4% protestant. Bijgevolg zal de Islam dan de tweede godsdienst in Nederland zijn met 8%. 72% zal geen kerkelijke denominatie meer hebben. 9 Dit wordt weerspiegeld in een immense krimp van de Katholieke Kerk. In het aartsbisdom Utrecht zijn tussen 2008 en 2011 de 326 parochies met elkaar gefuseerd tot 49 grote parochies. Nu zien verscheidene grote parochies die het resultaat zijn van de fusie, zich genoodzaakt om kerken te sluiten. De parochie te Apeldoorn heeft inmiddels 5 van de 6 kerken gesloten. De parochie te Huissen heeft besloten 6 van de 7 kerken sluiten, die van Doesburg 5 van de 7, die te Doetinchem 4 van de 8 etc. wegens een gebrek aan actieve gelovigen en aan financiële middelen. De Kerk in Nederland is afhankelijk van vrijwillige bijdragen van gelovigen, die hard dalen. In Nederland worden elke week 2 kerken gesloten. 60% ervan is protestant, 40% katholiek. Ik durf niet te voorspellen hoeveel kerken er nog over zijn in 2028, het jaar waarin ik de leeftijd van 75 jaar zal hebben bereikt en mijn ontslag aan de Heilige Vader zal moeten aanbieden.

Velen verwonderen zich erover dat de Katholieke Kerk in Nederland, die een halve eeuw geleden nog zo krachtig leek en waaruit nog in 1960 11% van alle missionarissen over de hele wereld afkomstig was, in luttele jaren in zo’n zware crisis terecht kwam. Bij nader inzien is er echter minder reden om zich te verbazen. Dat blijkt uit een boekje dat in 1947 in gepubliceerd onder de veelzeggende titel Onrust in de zielzorg. 10 Dit boekje toont duidelijk dat de ‘tsunami’ aan revolutionaire ontwikkelingen in de Nederlandse Kerk in de jaren zestig van de vorige eeuw al waarneembaar was in de 2de helft van de jaren veertig. 11

In genoemd boek schrijft een van de auteurs:

“Volgens de laatste gegevens noemt zich 38½ % van Nederland katholiek. Velen hunner staan echter weliswaar binnen het uiterlijk georganiseerde verband van de Kerk, maar de werkelijkheid van deze deelname raakt het wezen van hun leven niet meer. Zij vormen het machtige leger dat de enorme geloofsafval van de nabije toekomst, een traag onopvallend kiemproces, voorbereidt.” 12

Men voorzag al in de jaren veertig dat de kerken zouden leeglopen. De meeste Nederlandse katholieken gingen op zondag nog wel naar de kerk, maar hun praxis was “niet godsdienstig meer, maar profaan, niet dogmatisch, maar ethisch-moralistisch.” 13 Zij namen deel aan de gemeenschap van de Kerk in sociale zin, maar minder op basis van het geloof als zodanig. Het is wellicht een verrassing dat er een bijzondere getuige is van dit fenomeen, niemand minder dan Karol Wojtyła, later paus Johannes Paulus II. Deze schreef in een reisverslag van een bezoek aan Nederland in 1947 dat hij de organisatie van de Nederlandse Kerk en haar activiteiten bewonderde. Hij signaleerde echter tegelijkertijd een gebrek aan spiritualiteit en een eenzijdige nadruk op het actieve handelen. Hij nam waar dat de Katholieke Kerk in Nederland zich “koppig” afzette tegen het protestantisme, zich manifesteerde als een “tamelijk koude en harde eenheid,” waarin het voldoen aan religieuze verlangens en emotionele behoeften niet telden. “Het enige dat telt, is de ervaring van de eenheid.” 14 Het is opvallend dat Benedictus XVI iets vergelijkbaars waarneemt tijdens zijn bezoek aan zijn vaderland 64 jaar later in 2011:

“In Duitsland is de Kerk optimaal georganiseerd. Maar vindt men achter de structuren de bijbehorende spirituele kracht, de kracht van het geloof in de levende God? In alle oprechtheid moeten we echter zeggen dat er een overmaat aan structuren is met betrekking tot de Geest. Ik voeg toe: de echte crisis van den Kerk in de Westerse wereld is een geloofscrisis. Als wij niet tot een echter vernieuwing in het geloof zullen komen, zal de structurele hervorming zonder effect blijven.” 15

In de jaren veertig van de vorige eeuw had de meerderheid van de Nederlandse katholieken, ondanks de imponerende buitenkant van de Kerk, geen geloof meer met betekenis voor het leven van alle dag, hetgeen overigens het begin is van de secularisatie: wie het belang van het geloof voor het alledaagse leven niet meer ziet, loopt een groot risico het geloof als zodanig te verliezen. Er bleef daardoor voor velen slechts een sociale band met de Kerk. Vanuit dit perspectief is het niet zo verwonderlijk dat het uiterlijk gebouw van de Nederlandse Kerk in luttele jaren in elkaar stortte na de opkomst van het expressief individualisme in de jaren zestig, waardoor de sociale banden en de deelname aan welke gemeenschap ook in het algemeen sterk verzwakt raakten.

Het openzetten van de Poort van het Geloof

De geschetste crisis in de Kerk manifesteerde zich het eerst in Nederland aan het begin van de jaren zestig, maar later ook elders in West-Europa, bijvoorbeeld in Vlaanderen vanaf de jaren tachtig en in Italië vanaf de jaren negentig. Heden manifesteert deze crisis zich op elk continent. Het spreekt daarom vanzelf dat Katholieken zich dikwijls met zorg afvragen hoe de Kerk van de toekomst eruit zal zien. In Nederland ziet met al — vanaf een niet meer zo grote afstand, laten we zeggen aan de horizon — hoe de Kerk van de toekomst zich aftekent. Er zullen weinig parochiekerken overblijven die niet dicht bij elkaar liggen. Wij verwachten echter dat deze kerken centra zullen zijn van vitale christelijke gemeenschappen. De Katholieken die overblijven, nemen namelijk het geloof steeds meer serieus, hebben een innerlijk gebedsleven en hebben een steeds positievere houding tegenover de Kerk. We moeten niet alleen kijken naar de kwantiteit, maar ook naar de kwaliteit van de gelovigen. Elk jaar worden er in het aartsbisdom Utrecht een kleine 200 personen katholiek. Enkelen van hen waren protestant, het grootste deel heeft geen godsdienstige opvoeding gehad. Jaarlijks vieren we in het aartsbisdom een dag voor de nieuwe katholieken met mooie en diepe persoonlijke getuigenissen. Veel van deze mensen hebben een levende band met Christus. Zij zien de Eucharistie als het centrum van hun leven, biechten en zijn actief in hun parochies. Pogingen om de Heilige Geest uit te blussen waren er in Nederland genoeg, maar zonder resultaat: Hij blijft Zijn vuur doorgeven en waait waarheen Hij wil (vgl. Joh. 3,8).

Het spreekt voor zich dat het initiatief van Benedictus XVI om het Jaar van het Geloof uit te roepen bijzonder welkom is, zeker in geseculariseerd West-Europa. De titel van het motu proprio heeft de missionaire strekking ervan aan: namelijk om de deur van het geloof voor allen open te zetten. Deze uitdrukking is ontleend aan de Handelingen van de Apostelen, waarin wordt beschreven dat Paulus en Barnabas na hun terugkeer van hun eerste missiereis verslag uitbrengen van alles wat God dor middel van hen heeft verricht en

“voor de heidenen de deur naar het geloof had geopend” (Hand. 14, 27).

Sinds de aanvang van zijn ambt als paus heeft Benedictus XVI er steeds op aangedrongen

“de weg van het geloof opnieuw te ontdekken om steeds duidelijker de vreugde en het hernieuwd enthousiasme van de ontmoeting met Christus te belichten” (PF nr. 2).

In de laatste decennia hielden de christenen zich vooral bezig met de sociale, culturele en politieke gevolgen van hun inzet, terwijl zij leken te veronderstellen dat het geloof, de basis van dit alles, evident is (PF n. 2). Dit is echter niet evident, maar — erger nog — zelfs geloochend. Met de sociale leer van de Kerk kan men wellicht nog consensus bereiken en lastige discussie vermijden, maar wanneer men spreekt over de verticale dimensie van het geloof, dan houden velen meteen op met luisteren. Echter, zegt Benedictus XVI:

“Wij kunnen niet accepteren dat het zout zijn kracht verliest en het licht verborgen wordt gehouden (vgl. Mat. 5,13-16). Ook de mens van vandaag kan er opnieuw behoefte aan voelen, zoals de Samaritaanse, naar de put te gaan om naar Jezus te luisteren. Hij nodigt ertoe uit om in Hem te geloven en uit zijn bron van levend water te putten (vgl. Joh. 4,14)” (PF nr. 3).

Om de deur van het geloof te openen — of ook te heropenen voor christenen wier geloof verflauwd is — wijst Benedictus XVI vijf wegen:

  1. Een “authentieke en hernieuwde bekering tot de Heer” en de vernieuwing van de Kerk en de gelovigen zelf, opdat hun getuigenis van het geloof vruchtbaar mag worden (PF n. 6).
  2. De evangelisatie op basis van een geloof dat is gebaseerd op een persoonlijke relatie met Christus, die onze harten vervult met zijn liefde, waarmee Hij ons aanspoort om het Evangelie uit te dragen (PF n. 7).
  3. Een grondige en diepgaande kennis van de inhoud van het geloof (PF n. 8-12).
  4. “In de tussentijd wensen wij dat het getuigenis van leven van de gelovigen groeit in geloofwaardigheid. Opnieuw de inhoud ontdekken van het geloof dat wordt beleden, gevierd, beleefd en gebeden, en nadenken over de geloofsact zelf, dat is een taak die iedere gelovige zich eigen moet maken, vooral in dit Jaar.” (PF n. 9).

    Het belijden van het geloof is nooit een louter persoonlijke kwestie, maar altijd ook een publieke. Het geloof is geen privézaak. De kennis van het geloof moet open met anderen kunnen worden gedeeld:

    “Belijden met de mond geeft op zijn beurt aan dat het geloof een openbaar getuigenis en engagement inhoudt. De christen mag nooit denken dat geloven een privéaangelegenheid is... Juist omdat het geloof een act van vrijheid is, vereist het ook een maatschappelijke verantwoordelijkheid voor wat men gelooft. Met Pinksteren toont de Kerk in alle duidelijkheid deze openbare dimensie van het geloof en het onbevreesd verkondigen van het eigen geloof aan ieder. Het is de gave van de heilige Geest die tot zending in staat stelt en ons getuigenis versterkt door het vrijmoedig en moedig te maken” (PF n. 10).

    Bovendien helpt een gedegen kennis van het christelijk geloof om het veronderstelde conflict tussen geloof en wetenschap te overwinnen (vgl. PF n. 12).

  5. Kennis van de geschiedenis van het geloof (PF nr. 13).
  6. Het doel ervan is niet alleen Jezus Christus, “de aanvoerder en voltooier van ons geloof” (Hebr. 12, 1) te kennen, maar ook de andere grote voorbeelden in het geloof: Maria, de apostelen, de martelaren en al de andere heiligen.

  7. Het getuigenis van de liefde (PF nr. 14).

“Het geloof zonder de liefde draagt geen vrucht en de liefde zonder het geloof zou een gevoel zijn dat voortdurend ten prooi is aan de twijfel… Dankzij het geloof kunnen wij in hen die om onze liefde vragen, het gelaat van de verrezen Heer herkennen. “Al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders, hebt gij voor Mij gedaan” (Mat. 25,4)” (PF nr. 14).

Paus Benedictus en nu paus Franciscus zijn wegwijzers bij het openzetten van de deur van het geloof. Het is echter duidelijk dat dit niet alleen voor de paus een opdracht is, maar voor de hele Wereldkerk, inclusief alle lokale kerken, dat wil zeggen de bisdommen en ieder die daartoe behoort, gewijd of niet gewijd. De geloofsoverdracht die het eerst in het leven plaats vindt, is een verantwoordelijkheid van de ouders die besluiten hun kinderen te laten dopen een christelijke opvoeding te geven.

Lumen Fidei: de bekroning van het Jaar van het Geloof

Bijna was de aandacht voor het Jaar van Geloof verflauwd, doordat de paus die het had uitgeroepen, op 28 februari 2013 tot ieders grote verrassing terugtrad. Meer verrassingen zouden volgen. In het conclaaf in maart van dat jaar, dat volgens menig journalist weleens lang zou kunnen gaan duren, werd tot wederom ieders verrassing in slechts vijf stemrondes de kardinaal-aartsbisschop van Buenos Aires, Bergoglio, tot paus verkozen. Dit hadden journalisten niet voorzien. Blijkbaar hadden zij toch niet zo de verlichting van de Heilige Geest, als zij wellicht graag hadden gezien. Bergoglio zelf was in eigen persoon een verrassing in menig opzicht: hij was geen Europeaan, de eerste jezuïet die ooit paus werd, en gaf zich zelf de naam van de stichter van een andere orde dan de zijne, namelijk Franciscus. Beide pausen zorgden er echter voor dat de aandacht voor het Jaar van het Geloof weer helemaal terugkeerde doordat hun gezamenlijke encycliek Lumen Fidei.16 Deze is weliswaar ondertekend door paus Franciscus, maar paus Benedictus, die er al aan begonnen was, heeft er een groot deel van geschreven. Paus Franciscus grapte dat het een quatre-main-encycliek was, dus geschreven door vier handen, waarmee hij een vergelijking trok met een pianostuk à quatre mains dat door twee personen, dus met vier handen, aan één en dezelfde piano wordt gespeeld. Een journalist vond de vergelijking misplaatst, omdat je toch met één hand schrijft. Ik denk echter dat de paus met zijn vergelijking wel degelijk doel trof: de meesten van ons schijven immers tegenwoordig met twee handen, doordat we onze teksten meestal produceren aan het toetsenbord van onze computer.

Lumen Fidei (LF) mag gerust worden gekwalificeerd als de bekroning van het Jaar van het Geloof. In deze encycliek geven beide pausen inspirerende adviezen om de nieuwe evangelisatie ter hand te nemen en die adviezen baseren zij op het wezen van het geloof:

“Daar het geloof luisteren en zien is, wordt het ook doorgegeven als woord en als licht” (LF nr. 37).

Eerder in de encycliek (nrs. 29-31) wordt toegelicht waarom het geloof als horen en zien kan worden gekwalificeerd. Paulus schrijft in zijn brief aan de Romeinen:

“Zo ontstaat dan het geloof door de prediking” (Rom. 10, 17).

We komen immers tot het geloof als we Gods Woord horen en het in gehoorzaamheid aannemen. Dit gebeurt in gehoorzaamheid (vgl. Rom. 1, 5; 16, 19), omdat we het niet noodzakelijkwijs geloven: we zijn vrij om het Woord van God te aanvaarden of te verwerpen.

In het Evangelie van Johannes wordt tevens de relatie tussen geloven en zien benadrukt. In aan aantal gevallen komen de joden tot geloof doordat zij de tekenen zien die Jezus verricht, zoals de vele wonderbaarlijke genezingen en de opwekking van Lazarus (Joh. 11, 1–44).

“Wie Mij ziet, ziet Hem die Mij gezonden heeft,”

zegt Jezus (Joh. 12,45). Wie Jezus ziet, gaat geloven in de Vader. De leerlingen komen na de verrijzenis van Jezus tot geloof doordat ze de Verrezen Heer horen en zien.

Een synthese tussen horen en zien in relatie tot het geloof komt tot stand in de Persoon van Christus. Hij is, zoals Johannes het uitdrukt het Woord van God dat voor ons vlees, dat wil zeggen mens is geworden (Joh. 1,14). Hij is Gods eigen Woord in Persoon en doordat hij mens wordt, is het Woord van God niet alleen hoorbaar, maar ook zichtbaar:

Als je eenmaal dat Woord in geloof hebt aanvaard, dan wil je er ook over praten en het tot uiting brengen, zoals Paulus zegt:

“Maar wij bezitten die geest van geloof waarvan de Schrift zegt: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken. Ook wij geloven en daarom spreken wij” (2 Kor. 4,13).

Bijgevolg kunnen anderen het Woord van God horen.

Het geloof werkt daarnaast als een licht in het innerlijk van onze ziel. Als dit licht van het geloof in ons brandt wordt het ook zichtbaar voor anderen en dat is een bijzonder krachtige vorm van geloofsgetuigenis. Paulus zegt:

“Ons allen is het gegeven met onverhuld gelaat de glorie van de Heer te aanschouwen en herschapen te worden tot steeds heerlijker gelijkenis met Hem” (2 Kor. 3, 18).

Omgevormd naar het beeld van Christus, het volmaakte beeld van God, in Godsvertrouwen en liefde weerspiegelen we iets van dat Licht van Christus. Daardoor wordt dit Licht ook concreet zichtbaar voor anderen.

“Het licht van Christus straalt,” aldus Lumen Fidei (nr. 37), “als in een spiegel op het gelaat van de christenen en verspreidt zich zo, zo komt het tot ons, opdat ook wij deel kunnen nemen aan dit zien en bij anderen zijn licht weerspiegelen, zoals in de paasliturgie het licht van de kaarsen de andere kaarsen aansteekt.”

Tevens maakt Lumen Fidei duidelijk waarom het geloof nooit alleen een kwestie kan zijn van het autonome ‘ik’, dat zelf een eigen levensvisie ontwerpt. Het laatste is het ideaal van de cultuur van het expressief individualisme en de authenticiteit, zoals we boven zagen. Het christelijk geloof vindt zijn oorsprong in Christus, die Gods Woord spreekt en Zijn licht doorgeeft. Deze ontmoeting vindt plaats in de geschiedenis, tweeduizend jaar geleden. Het gelaat van Christus komt tot ons via een ononderbroken reeks van getuigenissen (LF nr. 38). Zal het geïsoleerde individuele ‘ik’ dat in zichzelf de zekerheid van zijn kennis zoekt, ooit tot de kennis kunnen komen wat gebeurd is op een afstand van tweeduizend jaar? Trouwens het geïsoleerde autonome ‘ik’ bestaat niet. We leven in alle opzichten in relatie met andere mensen. We ontvangen het leven en de opvoeding van onze ouders. Zij leerden ons de taal spreken waarmee we denken en kennen. Ook onze zelfkennis komt tot stand door onze relaties met medemensen: we leren onszelf kennen door ons te vergelijken met medemensen en door de feedback die wij van hen ontvangen. Voor onze kennis putten we uit het geheugen van de mensheid. En ons begrip van de werkelijkheid wordt alleen volledig door het geloof in Christus. Voor ons geloof zijn we aangewezen op het ‘geheugen’ van de Kerk.

“De Kerk is een moeder die ons leert de taal van het geloof te spreken” (LF nr. 38).

De evangelist Johannes legt ook een relatie tussen het geloof en het geheugen van de Kerk. Jezus belooft aan Zijn apostelen tijdens zijn afscheidsrede na het Laatste Avondmaal de gave van de Heilige Geest, de Paracleet of ‘Helper’, Die

“u alles in herinnering zal brengen wat Ik u gezegd heb” (Joh. 14,26).

Zo concludeert Lumen Fidei:

“De Liefde die de Geest is en die in de Kerk woont, houdt alle tijden met elkaar verbonden en maakt ons tijdgenoten van Jezus door zo de leidsman van onze gang in het geloof te worden” (nr. 38).

Het is daarom onmogelijk om in je eentje te geloven op eigen kracht. Het geloof is geen individuele keuze alleen in het innerlijk van de gelovige, geen relatie tussen het ‘ik’ van de gelovige en het goddelijke ‘U’:

“Het [geloof] stelt zich van nature open voor het ‘wij’, het komt altijd tot stand binnen de gemeenschap van de Kerk” (LF nr. 39).

Het geloof wordt bovendien overgedragen door het doopsel en versterkt door de sacramenten, vooral dat van de Eucharistie, die door de gemeenschap van de Kerk worden gevierd en in de Kerk worden toegediend (LF nrs. 40-45).

Optimisme voor de toekomst

Hoewel het expressief individualisme een serieus obstakel is voor de verkondiging van het geloof, moeten we het niet alleen maar als een negatieve zaak beschouwen. Deze tendens in de huidige cultuur biedt ook bijzondere mogelijkheden. Vooral het jonge individu dat in zichzelf een sterke drang waarneemt om zich van anderen te onderscheiden, wil als het eenmaal een keuze voor een godsdienst maakt, iets wat helder en onderscheiden is. Welke parochies in zwaar geseculariseerde landen waar de Kerk op haar retour is, hebben nog een zekere vitaliteit en weten nog jongeren en gezinnen aan te trekken? Dat zijn de parochies die zich onderscheiden door een goede viering van de liturgie overeenkomstig de desbetreffende normen van de Kerk en een heldere verkondiging van het katholieke geloof. Deze parochies bieden aan de individualist een keuze aan iets dat helder en onderscheiden is. Het is de algemene ervaring dat parochies waarin populaire en zogeheten progressieve ideeën en gebruiken uit de tijd van na het Concilie zijn gebleven, leeglopen en sterven. In de laatste halve eeuw probeerde men nog een zo groot mogelijk aantal personen aan te trekken door middel van een vage verkondiging van het geloof met weglating van die elementen die omstreden waren. Het gebeurde vaak dat men de geloofsverkondiging reduceerde tot een uiteenzetting over waarden vanwege een zekere verlegenheid om de echte inhoud van het geloof ter sprake te brengen. We zien een analoge ontwikkeling in de protestantse wereld: de vrijzinnige kerken zijn leeg, terwijl de orthodox-protestantse naar verhouding bloeien.

Dit empirisch gegeven ondersteunt het doel van het Jaar van het Geloof, dat ook de rode draad vormt in het motu proprio Porta Fidei, namelijk dat de Kerk voor de hedendaagse mens de poort opent tot een levend geloof in de vorm van een persoonlijke relatie met God door Christus, waarvoor hij een bewuste keuze maakt. Zo schrijft Benedictus XVI:

“Ik zou hier een weg willen schetsen die kan helpen om niet alleen de inhoud van het geloof dieper te begrijpen, maar tegelijkertijd ook hiermee de act waarmee wij besluiten ons geheel in volledige vrijheid aan God toe te vertrouwen. Er bestaat immers een diepe eenheid tussen de geloofsact en de inhoud waarmee wij instemmen” (PF n. 10).

Door dit te realiseren zal de Kerk in de nabije toekomst misschien minder leden hebben, maar dan wel overtuigde leden en zal zij daardoor op lange termijn weer het zuurdeeg kunnen zijn voor de groei van het Rijk Gods (vgl. Mt 13, 33).

1. Paus Benedictus XVI, “Apostolische brief in de vorm van een motu proprio Porta fidei”, Kerkelijke Documentatie (2011), pp. 257-266.

2. Benedetto XVI, “Discorso ai Partecipanti all'assemblea Plenaria del Pontificio Consiglio della Cultura (8 marzo 2008), AAS 100 (2008), n. 4, pp. 245-248, citaat op p. 245.

3. Ibid., p. 246.

4. Ch. Taylor, Varieties of Religion Today: William James Revisited, Cambridge/London: Harvard University Press, 2002, pp. 79-107.

5. Ibid., p. 89.

6. Ibid., p. 89.

7. Ibid., p. 101.

8. T. Bernts, G. Dekker, J. de Hart, God in Nederland 1996-2006, Kampen: Ten Have, 2007, p. 14.

9. J. Becker, J. de Hart, Godsdienstige veranderingen in Nederland. Verschuivingen in de binding met de kerken en de christelijke traditie, Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau, 2006, p. 53.

10. H. Boelaars, G. de Gier, J. van der Hoeven, A. Lutterman, C. Moonen, A.C. Ramselaar, J.N. van Rosmalen, G. Smit, F. Thijsen, J.J.M. van der Ven, J. Vermeulen,Onrust in de zielzorg, Utrecht/Brussel: Het Spectrum, 1949.

11. Cf. W.J. Eijk, “Tra vocazione spirituale e ruolo sociale”, L’Osservatore Romano 150 (2010), nr. 59, 12 maart, p. 5; Idem, “Esperienze di “discontinuità” ”, Sacrum Ministerium 16 (2010), n. 1-2, pp. 114-118.

12. J.N. van Rosmalen, “Verveemding van de Kerk”, in: H. Boelaars, et al., Onrust in de zielzorg, op. cit., p. 21.

13. Ibid., p. 22.

14. Karol Wojtyla, “Koppig katholicisme”, Kerkelijke Documentatie 30 (2002), pp. 277-285, citaat op p. 283; deze tekst is bij toeval ontdekt in het archief van een Poolse journalist en vriend van Karol Wojtyla in 1999 en vertaald door D. Wienen; vgl. D. Wienen, “Jonge Wojtyla prijst ‘koppige’ Nederlandse katholieken”, Kerkelijke Documentatie 30 (2002), pp. 381-382.

15. Benedetto XVI, “Ansprache während der Begegnung mit dem Rat des Zentralkomitees der Deutschen Katholiken,” zie: http://www.vatican.va/holy_father/benedict_xvi/speeches/2011/september/documents/hf_ben-xvi_spe_20110924_zdk-freiburg_ge.html.

16. Paus Franciscus, “Encycliek Lumen Fidei (29 juni 2013)”, Kerkelijke Documentatie (2013), nr. 3, pp. 3-63.